Kazerne
Korps
Statistieken
Dienst 100
Duikers
Extra opdrachten
Preventie
Regio
Wagenpark
Materieel
Foto's
Sport
Activiteiten
Historiek
18 Jaar vrouwen
25 Jaar ambulance
55 Jaar luchtladders
Overstromingsramp
Oorlog Deel 2
Bevrijding Deel 3
Humor
 
 
 DE GESCHIEDENIS VAN DE STEDELIJKE BRANDKWEER NIEUWPOORT

De Stedelijke Brandweer van Nieuwpoort bestaat, gestructureerd, sinds 1863. Dit betekent natuurlijk niet dat in de eeuwenoude historische stad geen vorm van brandbestrijding bestond Dit is gewoon onmogelijk wanneer men weet dat Nieuwpoort in de Middeleeuwen de 6e grootste Vlaamse stad was die dan nog voortdurend te maken had met belegeringen. Eeuwenlang was de bestrijding van brand dan ook een solidaire taak van de stadsbewoners zelf.


Zo zijn, voorlopig de oudste stukken die wij kennen over de brandbestrijding in onze stad, een lijst uit 1739 warbij Joannes Pytyt en "syne compagnons" meester van de brandwacht elk jaar 12 gulden ontvingen voor hun prestaties. Uit 1753 bestaat een lijst met beschikbaar brandweermateriaal in Nieuwpoort. De stad bezat toen 190 lederen emmers, 23 ladders en 9 haken die verdeeld waren over het grondgebied.

Waar er eveneens geschreven bronnen over bestaan is dat er in 1802 te Nieuwpoort een bestendige wacht bestond die instond voor de waterpompen die over de stad verspreid lagen en voor het nodige bluswater dienden te zorgen bij brand. Deze man werd in de stad "den pompier" genoemd. Ingevolge de uitbreiding van de waterpompen werd in 1810 zelf een "chef pompier" benoemd. Hij stond samen met andere mannen in dienst van de stad en kregen hiervoor een vergoeding. Naderhand werd brandweermaterieel aangekocht en toevertrouwd aan de "pompiers". Momenteel bestaan er te Nieuwpoort nog twee brandweerpompen namelijk in de Recolettenstraat en op de hoek van de Hoogstraat en het Marktplein (zijgevel van Argenta). De eerste chefpompier was de loodgieter Charles Verhaeghe. In 1825, tijdens de bezetting van de Nederlanders was het Faquer, terwijl in 1846 de timmerman Frans Deman als chef pompier dienst deed. Als laatste in de rij kwam in 1850 Jan Vlasseman.


In 1860 begon men met de ontmanteling van de versterkingen van de stad die vijf jaar duurde. De stad wenste dat alle militaire gebouwen die door de ontmandeling zouden vrijkomen, aan de stad zouden afgestaan worden. Een besluit hierover verscheen in 1963.

Dit voorzag dat bepaalde gebouwen eigendom werden van de stad, mits zij zouden instaan voor het onderhoud. Een van die gebouwen was het poedermagazijn op het arsenaalplein (nu schoolstraat) dat als bergplaats van de brandspuit diende. Tot het vertrek van het garnizoen uit Nieuwpoort kon men op de soldaten beroep doen in geval van brand. De pomp zelf was weinig betrouwbaar maar zou nog dienst moeten doen tot 1907. Dit bommenvrij zou de eerste brandweerkazerne van Nieuwpoort worden.


Eerste poging tot oprichting van een brandweerkorps


Blijkbaar was men niet zo tevreden met de bestaande regeling van brandbestrijding. De gemeenteraad van 12 september 1865 besliste, onder voorzitterschap van burgemeester Meyne Louis, tot de oprichting van een korps vrijwillige pompiers. De eerste oefening had plaats op maandag 5 november 1866 en de archieven vermelden dat: de bevelvoerder en manschappen lof verdienden voor de gedane inspanning en de goede standhouding van een zo nuttige inrichting.

Op 12 december 1867 werd de politiecommissaris Ertel August bevelvoerder van een gewapend korps "sappeurspompiers" ook wel garde civique genoemd. Zij traden op bij branden en rampen, maar deden ook dienst voor ordediensten en eventuele schermutselingen gezien zij gewapend waren. Het korps bestond uit de bevelvoerder, 10 vrijwilligers met als materieel 2 handpompen met toebehoren, 50 lederen emmers en de nodige geweren met munitie.

De bevelvoerder Ertel nam ontslag uit zijn functie in 1906.


Een tweede poging tot oprichting van een brandweerkorps


Eind de 19e eeuw hadden onze Nieuwpoortse pompiers blijkbaar een minder goede naam en toen hun tussenkomst bij een hevige brand in het "hotel de la Bourse" te wensen overliet werd in de gemeenteraad voorgesteld om een nieuwe georganiseerde én gedrilde brandweerdienst in het leven te roepen. Initiatiefnemer was schepen Hughebaert die tevens de nieuwe bevelvoerder zou worden.

In 1906 wordt het Stedelijk Brandweerkorps volledig gereorganiseerd. Het stadsbestuur doet een oproep die gericht is aan alle Nieuwpoortse jongeren en aan "stielmannen"; In totaal gingen 40 personen op de oproep in, allen werden aanvaard door burgemeester Deroo Willem.

De oprichting van een gewapend brandweerkorps werd op 26 september 1907 goedgekeurd door koning Leopold II. Het korps bezat toen 45 comblaingeweren met bajonet en de nodige munitie.

Bevelvoerder van het korps werd luitenant Huyghebaert Jules die brouwer en handelaar van beroep was. Karel Berquin werd onderluitenant terwijl dokter Pattyn Pieter onderluitenantgeneesheer (toen nog heelmeester) werd. De brandweer had toen wel een probleem: ze hadden geen kazerne. Bij alarm dienden de manschappen dan ook steeds te verzamelen aan het stadhuis.

Verder te vermelden is het feit dat de officieren geen vergoedingen ontvingen, de brandwachten 1 frank per oefening en 0.5 fr. per brand.


Is driemaal scheepsrecht?


In 1914 werd door de Eerste Wereldoorlog de stad volledig vernield en vluchtte de bevolking naar veiliger oorden en werd de brandweer ontbonden.

Pas in 1920 kwam de bevolking terug naar de stad en kon men spreken van een gemeenschap. Vrij snel kreeg de heer Hyghebaert het verzoek van burgemeester Van Iseghem om terug een korps op te richten. Er werd gestart met 15 man en vrij snel werd dit aantal tot 20 gebracht. Om aan het nodige materieel te geraken was een groter probleem. De brandweer was in het bezit van een pomp maar de bevelhebber merkte in 1923 op dat deze pomp steeds uit valt en niet wil werken. Tevens was hij verontwaardigd dan de ruimdienst de stootkar van de brandweer had weggenomen. Hij wees het College erop dat bij brand het lang zou duren eer de brandpomp en 'darmen' op de plaats van de brand zouden geraken.

Merkwaardig hierbij is dat het materieel reeds geleverd was en opgeslagen in verschillende stadsgebouwen, maar er nog geen officiële toelating was gekomen dat het mocht gebruikt worden.

Wat later werd het materieel vrijgegeven met o.a. een ladder van 15 meter en een stoompomp. Het materieel was ondergebracht in een houten noodkerk. De bevelvoerder vond dit veel te gevaarlijk voor een stoompomp die geregeld in druk moest gebracht worden en bracht het materieel onder in een gebouw in de arsenaalstraat.


De brandweerbevelvoerder was toen reeds verantwoordelijk voor de controle op brandbeveiliging in de gemeenten Oostduinkerke, Lombardsijde en Westende. Deze gemeenten hadden toen voldoende blusmaterieel maar beschikten niet over geoefende brandweermannen.


De bevelvoerder merkte in een verslag, na een brand, aan het College Van Burgemeester en Schepenen op, dat hij trots was dat deze stoompomp reeds na 25 minuten in volle werking was. Hij was wel verontwaardigd dat de omstanders geroepen hadden dat zij veel te laat ter plaatse waren. Hij wees erop dat de klaroenblazers meer dan een kwartier nodig hadden om iedereen te verwittigen. Hij stelde voor om op zes plaatsen in de stad elektrische bellen te plaatsen. Dit zou volgens hem een besparing van tijd betekenen van 10 minuten. Tenslotte wees hij erop dat de meeste branden 's nacht uitbraken 'alswanneer de mannen, allen ambachtsmannen die by dage neerstig gevrocht hebben, eene goed rust genieten'.



Vierde keer, goede keer?


In 1923 kwam een einde aan de 'gewapende brandweer'. Koning Albert I besloot dat de "Garde Civique" ontbonden werd tot een brandweerdienst. De geweren werden ingeleverd en verdwenen uit het archief (in de kazerne is nog een gelijkaardig exemplaar aanwezig). In dat jaar verhuisde de brandweer naar de Langestraat, naast het heropgebouwde Vredegerecht, waar nu de politie is gevestigd.


De bevelvoerder Huygebaert werd in 1927 tot burgemeester verkozen en bleef dit tot 1933. Het korps beleefde toen een rustige periode zonder noemenswaardige feiten. Dit bleef zo tot 1933.

Toen in dat jaar een andere burgemeester werd verkozen, de notaris Deeren Egide, ontstond ertussen de bevelvoerder en de nieuwe burgemeester een politieke ruzie waardoor Huygebaert Jules ontslag nam als brandweerbevelhebber en met hem bijna alle manschappen. Op 12 maart 1933 werd een algemene vergadering van de brandweermannen samengeroepen. Van de 17 aanwezigen stemden er 12 voor ontslag, 2 tegen en 3 onthoudingen. Na de stemming nam het volledige korps dan ook ontslag, zij bleven wel nog in dienst tot einde juni om aan het stadsbestuur de kans te geven een nieuw korps op te richten.


De taak van Huyghebaert werd overgenomen door onderluitenant Romaan Berquin die het korps terug organiseerde en nieuwe manschappen aanwierf. Hij mag beschouwd worden als een overgangsbevelvoerder. Het stadsbestuur moet dan ook wel slecht bij kas gezeten hebben gezien de bevelvoerder geld leende aan het stadsbestuur zodat er brandweermaterieel kon aangekocht worden. In 1938 bereikt Romaan Berquin de leeftijdsgrens en wordt zijn taak overgenomen door zijn zoon Paul Bercquin. Deze nieuwe bevelhebber eist, voor het eerst in de geschiedenis van de brandweer, dat alle briefwisseling van en naar het korps in het Nederlands moet gebeuren. Zijn Vlaamsgezindheid zou hem nog parten spelen na de Tweede Wereldoorlog.

In 1938 was er ook voor het eerst sprake van een barbarafeest. Dit had plaats in het restaurant de Pélikaan in de Onze Lieve Vrouwstraat. Voor het eerst is er sprake van een stamboek. Door dit stamboek bezitten wij meer informatie over de brandweermannen die in dienst kwamen


Vanaf 1939 werd het duidelijk dat er oorlog op til was. Alle lichten dienden 's avonds gedempt te worden terwijl de brandweeroefeningen opgedreven werden in samenwerking met de luchtbescherming en het Rode Kruis.

De bevelvoerder diende tevens een lijst op te maken van de leden welke nog dienstplichtig waren én wie in het bezit was van een fiets. De bevelvoerder drong er bij burgemeester Vandamme op aan dat de brandweermannen hun fiets zouden mogen behouden gezien zij deze nodige hadden om snel ter plaatse te komen.

Voor de Wereldoorlog bestond het korps uit  luitenantbevelhebber Paul Berquin, onderluitenant Van Eecke Maurits, 1 sergeant, 3 korporaals en 19 brandweermannen.


Wereldoorlog II


Tijdens de tweede wereldoorlog bleef de brandweer de stad beschermen met de beperkte middelen die ze van de bezetter mochten behouden, het grootste gedeelte van de persslangen, standpijpen en straalpijpen werden in beslag genomen door de bezetter. Toch verleenden zij nog bijstand aan omliggende steden als die gebombardeerd werden zoals Oostende. (zie geschiedenis van de brandweer tijdens Wereldoorlog II).

Verschillende Nieuwpoortenaars ontsnapten aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland door dienst te nemen als vrijwilliger bij de brandweer. Merkwaardig was wel dat de brandweer, die bijna geen materieel meer had (2 pompen), toch nog beschikte over drie voertuigen. Ook hier was de Nieuwpoortenaar slimmer dan de bezetter. Deze wagens waren eigendom van inwoners van de stad die hun wagen "uitleenden" aan de brandweer en op die manier ontsnapten aan een inbeslagneming van hun voertuig.

De brandweer had tijdens de oorlog het materieel verspreidt over twee plaatsen en alzo ze te beschermen tegen luchtbombardementen. Deze reservekazerne bevond zich in de Hoogstraat 28 bij sergeant Deman Norbert.


Na de bevrijding werd bevelhebber Berquin op 7 september 1945 uit zijn ambt ontheven (hij werd later in ere hersteld) en opgevolgd door luitenant Eecke Maurits. Deze nam op 1 september 1950 plotseling ontslag uit het korps (woont nu in het zonnig Torremolinos). Hij liet hierdoor het korps stuurloos achter, er was immers geen kader meer, uitgezonderd onderluitenant Provoost Pierre. Hij wordt dan ook de nieuwe bevelhebber. Onder zijn beleid en dat van burgemeester Gheeraert wordt de brandweer gereorganiseerd en werd de huidige brandweerkazerne gebouwd.


Tijdens het korpsfeest in 1952 werd voor het eerst de prijs voor de meest verdienstelijke brandweerman uitgereikt.

Het korps van 35 manschappen bezat toen o.a. een omgebouwde autobus uit 1937; een ambulance van de Londen Fire Brigate uit 1942, een moto Matohless 3.5PK en 3 motorpompen.


Nieuwpoort wordt groepscentrum.


In 1953 had de grote overstroming plaats waarbij ook de stad in de brokken deelde (zie overstromingsramp 1953).

Zoals steeds na een ramp schoot ook nu de hogere overheid wakker en kregen de brandweerkorpsen nieuw materieel. Tevens diende het stad het ledenaantal van het korps op te trekken tot 55 manschappen. Op 7 november1953 werd Nieuwpoort groepscentrum van de volgende gemeenten: Lombardsijde, Mannekensvere, Pervijse, Ramskapelle, St. Joris en Schorre.


In 1954 had het 38e Zomercongres plaats van de Koninklijke West-Vlaamse Brandweer bond. Op het programma o.a. een optocht met vijf muziekkorpsen en 44 brandweerkorpsen; behendigheidsproeven op de Markt en op het strand: turnen, rythmische oefeningen, baletten, plastische beelden, motieven uit het leven van de brandweer en een Groot Pompiersbal in openlucht met het jazz orkest Camillos.

In 1954 werd de eerste cursus ingericht voor stagiairs. De lessen hadden plaats in het stadhuis en de praktische oefeningen in de brandweerkazerne in de Langestraat.


In 1957 kreeg na vele jaren aandringen het korps zijn eerste autopomp en blijkbaar ging het goed tussen het korps en de burgemeester.Dit jaar werden in ontvangst genomen: een draagbare motorpomp en vier kelderpompen. Tevens werd het volledige korps voorzien van nieuwe werkkledij en een ceremonie uniform. Dat er dat jaar gemeenteraadsverkiezingen waren geweest zal wel een toeval zijn.


In 1967 nam kapitein Provoost wegens gezondheidsredenen ontslag uit het korps en werd hij opgevolgd door Victor David. Onder zijn gezag en dit van burgemeester Mommerency werd de kazerne verder uitgebouwd en het wagenpark volledig vernieuwt.

Nadat de brandweer jaren geen ziekenwagen meer had werd het korps in 1972 ingeschakeld in de werking van de toenmalige dienst 100 (zie geschiedenis van de dienst 100 Nieuwpoort). De brandweer ging vanaf 11 januari 1973 ook aan sport doen, verantwoordelijken waren luitenant Cornelis sergeant Devacht en sergeant Maes. In het korps wordt in 1974 een duikersteam opgericht (zie bij geschiedenis van de Nieuwpoortse duikers).

In 1976 grijp teen eerste verbroedering plaats tussen het korps van Nieuwpoort en Dudenhofen. Zij bezoeken ons korps met 27 personen en verblijven in hotel Cosmopolite

Een terugkerende traditie was de Vierdaagse van De IJzer. Vanaf 1984 was de kazerne de verblijfplaats van een 150 tal wandelaars. Ieder jaar verblijven deze wandelaars hier voor zes dagen terwijl er op drie dagen voor de nodige animatie wordt voorzien.


In 199O diende de bevelvoerder Victor David wegens gezondheidsredenen een stapje terug te doen en werd Roger Van Brussel dienstdoende bevelhebber vanaf 1 januari 1991. Op 25 april 1992 greep dan de officiële bevelsoverdracht plaats en werd Kapitein Roger Van Brussel de bevelvoerder van het korps.


Kapt Roger Van Brussel



 
 
 
   

 

 

Concept & Design - XenaNet.Com